This site will look much better in a browser that supports web standards, but it is accessible to any browser or Internet device.
Dit is een eerste artikel in een reeks over besnijdenissen met een religieuze achtergrond. In onderstaand artikel verwoordt een moeder haar gedachten over de Brit Mila, de joodse besnijdenis, die op de achtste dag na de geboorte plaatsvindt bij joodse jongetjes.
Voor één keer ben ik opgelucht dat de bijbelse stamvaderen niet evenveel tijd besteedden aan meisjes. Besnijdenis is vreemd.
De eerste keer dat deze gedachte in me opkwam, herinner ik me als de dag van gisteren, ook al is het 16 jaar geleden. Ik voedde mijn zoontje, omringd door geliefden die zich rond ons verzameld hadden om zijn besnijdenis te vieren.
De mohel (joodse, rituele besnijder) vroeg me vriendelijk om de baby niet te voeden, omdat hij dan mogelijk op de toeschouwers zou plassen. Gedurende de eerste zeven dagen had ik al geleerd om snel nieuwe luiers aan te brengen - en te lachen met de uitwassen van het ouderschap. Dus moest ik in eerste instantie lachen, maar meteen daarna sloeg de paniek toe. Plotseling drong het tot me door:
Dit was krankzinnig! Ik had zolang naar dit kind verlangd, geen enkele moeite achterwege gelaten om hem te beschermen gedurende mijn zwangerschap. En nu zou ik moeten toelaten dat er een ingreep aan zijn gezonde (!) penis zou plaatsvinden?! Was dit een perverse grap?
Ik voelde me bedrogen. Ik was in de veronderstelling geweest dat deze naamgevings-ceremonie me hetzelfde warme gevoel zou geven als alle andere joodse rituelen reeds gedaan hadden in mijn leven. Ik zat er helemaal naast!
De traditie wil wijselijk dat de moeder de besnijdenis niet bijwoont, dus ik zat boos en tandenknarsend in een andere kamer. Gelukkig was alles snel voorbij - vóór mijn woede me tot actie kon doen overgaan. Eén seconde langer en ik zou de woonkamer ingehold zijn om mijn zoontje te redden en me bij mijn gasten te verontschuldigen omdat ik ze betrok in dit verontrustende ritueel.
Als mijn zoontje weende, heb ik dat niet gehoord. In feite was er geen enkel teken dat het ritueel hem op één of andere manier kwaad had gedaan. Maar realiteit is geen partij voor angstigheid. Na ongeveer een dag het wondgebied - dat alarmerend rood geworden was - verzorgd te hebben, besloot ik om een kinderarts te consulteren.
"Is dit zoals het verondersteld wordt eruit te zien?" vroeg ik hem. Hij keek over de rand van zijn bril om zeker ervan te zijn dat onze blikken zich kruisten, en met een stem overlopend van sarcasme zei hij: "Dit is de best uitziende penis die ik ooit in mijn leven gezien heb."
Ik keerde niet meer naar hem terug. Maar het bleef me bezig houden. Als ik zo van streek was door dit alles, waarom had ik het dan gedaan? Zeker nu volgens kinderartsen besnijdenissen geen positief gezondheidseffect hebben.
Ik worstelde met de notie dat besnijdenis een vorm van genitale verminking is. Waarom konden onze voorouders geen ander lichaamsdeel kiezen, zoals de oren om te luisteren, of de lippen om te bidden? Een penis bewerken als een teken van toewijding leek me zo buitennissig.
Bij zijn controle-bezoek legde onze mohel uit, dat onze voorouders op het vlak van persoonlijke zaken veel minder kieskeurig waren. Een snelle blik in het boek Leviticus bevestigt zijn stelling. De israëlieten vonden de besnijdenis ook niet uit; andere groepen gebruikten de besnijdenis al om de mannelijke puberteit en vruchtbaarheid te vieren. Het gebod heeft te maken met het nageslacht - Abraham beloofde God de loyaliteit van de joden, en God beloofde dat hun geslacht talrijk zou worden en dat zij een groot land zouden bezitten - dus leek de penis een ideaal gebied voor het teken van dit verbond. Oef! Abraham was ten minste niet volslagen krankzinnig.
Ik besloot om mijn zoon, nu 16, te vragen of hij enig gevoel van spijt had. "Natuurlijk niet!" zei hij. Waarom? "Omdat ik joods ben!", zo simpel was dat voor hem.
Hij ging verder met een mysterieuze glimlach: "Soms vraag ik me af of Abraham niet gewoon een malle gast was die stemmen hoorde." Om zijn opmerking kracht bij te zetten gaf hij een kort citaat uit Genesis, waarin Abraham bereid is zijn zoon Isaac aan God te offeren.
Hij heeft gelijk, Abrahams mentale toestand lijkt twijfelachtig.
Maar misschien ligt de betekenis van het besnijdenisritueel juist in onze huivering ervoor. Abraham bewees zijn toewijding aaan God door bijna zijn eigen geliefde zoon te offeren. Wanneer we het bloed van onze kinderen prijsgeven, iets wat regelrecht tegen onze ouderlijke instincten in gaat, tonen wij ook, net als Abraham, toewijding aan God en het verbond met hem.
Een pact met God verdient een gebeurtenis die angstaanjagend is en ons op de proef stelt. Iets anders zou niet dezelfde impact hebben. Misschien moeten we besnijdenis wel beschouwen als een mini-offer met een mammoet-betekenis . Toen besnijdenissen een gewoonte werden, hebben we vermoedelijk onze ogen gesloten voor de griezelige aard van de ingreep en vergaten we dat we een overeenkomst sloten met de Almachtige.
Zou niet iemand een meer symbolisch ritueel kunnen bedenken? Ik vier het joodse paasfeest ten slotte ook zonder een lam te slachten en de deurstijlen met zijn bloed in te smeren.
Misschien zal ooit wel iemand dit doen, maar tot die tijd, zoals mijn zoon zei: We doen het omdat Joden dit altijd gedaan hebben.
Nu ik zie hoe tevreden hij is met zijn Joodse afkomst - en met zijn besnijdenis - , neem ik mezelf niets meer kwalijk.
Op één of andere manier, die mijn verstand overstijgt, voel ik me trots. Door deze rare en beangstigende ingreep heb ik mijn eigen joodse identiteit getoond, en gezorgd dat voor mijn kinderen hun joodse afkomst zichtbaar is. Ik heb de knoop doorgehakt, mijn team is nog steeds in de running. Het is alsof ik tegen de slechteriken uit de geschiedenis roep:"Hé, kijk eens wie er nog steeds is!"
Misschien was Abraham toch niet zo gek.
Bron: internet